Terminologie

Therapeutische begeleidingen met assistentie van dieren (TAD) worden de laatste jaren in onze contreien steeds vaker gezien en gevraagd. Bovendien is de methodiek in al zijn vormen steeds meer te zien in de literatuur en de media.

Willen we een beeld geven van hoe zo een begeleiding er in concreto kan uitzien, dan moeten we vooreerst duidelijkheid scheppen omtrent de definitie van de methodiek, ook al omdat hieromtrent in het werkveld heel wat verwarring blijkt te leven. Wat volgt is een bondige schematische schets:

Interventies met assistentie van dieren, kortweg ‘IAD’ genoemd, is een overkoepelende term voor:

‘Therapie met assistentie van dieren’ (TAD) waarbij therapeutische doelen worden bewaakt en nagestreefd om het psychische, fysische of sociale welbevinden van de cliënt te verbeteren.

‘Activiteiten met assistentie van dieren’ (AAD) waarbij er activiteiten worden ingericht zonder specifiek doel. Het referentiekader maakt een onderscheid tussen de actieve vorm van AAD en de passieve vorm. ‘Actieve AAD’ bestaat bijvoorbeeld uit het bezoek van een personeelslid aan een rusthuis met zijn hond of de zogenaamde ‘meet & greet’-programma’s. Een hond die verblijft in een rusthuis of kooivogels in een leefgroep voor psychiatrische patiënten vallen onder de noemer ‘passieve AAD’. De actieve component verwijst naar het feit dat dergelijke programma’s een doelgerichte activiteit met het dier beogen, zoals een gezamenlijke wandeling of verzorgende taken, terwijl passieve activiteiten volledig vrijblijvend zijn en berusten op de behoefte van elk individu dat in de nabijheid van het dier verblijft. Er wordt geen tijdspanne op de passieve activiteiten geplakt.

‘Leren met assistentie van dieren’ (LAD) waarbij educatieve doelen worden gesteld en geëvalueerd, beslaat bijvoorbeeld pedagogische activiteiten op school die kinderen wijst op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van hun huisdieren.

 

Therapeutische begeleiding met assistentie van dieren is per definitie een doelgerichte interventie:

  •     Waarbij een dier, dat aan een aantal criteria voldoet, geïntegreerd wordt in een therapeutisch begeleidingsproces.
  •     Gegeven door een begeleider, opgeleid voor deze taak in het kader van zijn/haar werk en ervaring binnen de welzijnssector.
  •     Ontworpen ter behandeling en ter ondersteuning van begeleidingen aan mensen met fysieke, cognitieve, psychosociale en psychologische moeilijkheden.
  •     Waar geselecteerde en geteste dieren zowel fungeren als katalysator als als therapeutisch medium in samenwerking met de begeleiders die met hen werken.
  •     Waar het succes van het programma afhangt van de juiste dierenkeuze.
  •     Waar rekening gehouden moet worden met zoönotische elementen, d.w.z. ziektes die kunnen overgedragen worden tussen mensen en dieren.

In alle situaties:

  • Dient de relatie mens – dier wederzijds voordelig te zijn.
  • Zijn de dieren partners, en worden ze niet “gebruikt” als werkmiddelen, hebbedingetjes, speelgoed enz…

Wetenschappelijk onderzoek

Sinds begin jaren ’80 is onderzoek verricht naar de band van mensen met dieren en naar de sociale, educatieve en therapeutische waarde van dieren in ziekenhuizen, scholen en tehuizen. Belangrijkste onderzoeker was en is Aaron Katcher  Philadelphia University “the companiable zoo program” (1984): onderzoek naar de therapeutische effecten bij inzet van dieren bij kinderen en jongeren met ADHD, leerstoornissen, emotionele stoornissen en autisme.

Verder onderzoek op dit terrein werd verricht door:

Leonard Green, Carol Campbell (kinderen in de Bijzondere Jeugdzorg), Mc. Culloh (dieren en depressie), Judith Siegel (1990): invloed van dieren op ziekte en gezondheid, Drs Mary Tompson, Robert Kennedy and Sue Igou (dieren in ziekenhuizen)

Deze onderzoeken tonen aan dat bij inzet van dieren in een therapeutisch begeleidingsproces:

Een toename is aan te tonen van:

  • Zelfvertrouwen
  • Zelfwaardegevoel
  • Empathie
  • Socialisatie
  • Samenwerking
  • Geduld
  • Communicatieve vaardigheden
  • Motivatie
  • Zelfbewustzijn

Het heel specifieke aanbod van dieren betekent:

  • Onvoorwaardelijke affectie
  • Onmiddellijke affectie en aandacht
  • Mogelijkheid om zorg te dragen voor een ander levend wezen
  • Metaforen voor interactie en leerprocessen
  • Non-verbale interactie
  • Een band met de realiteit
  • Een manier om zich het verleden te herinneren
  • Geen stereotypen of vooroordelen
  • Plezier

De omgeving en context wordt deel van het programma

Binnen onze visie is de hulpverleningscontext bepalend voor het al dan niet behalen van de doelstellingen. Voor Patrasche betekent dit :

  • werken in (ruige) natuur
  • omgeving die aanzet tot actie
  • aanwezigheid van vreemde bouwsels en universele krachtsymbolen
  • werken in een transitzone ( een niemandsland) van oude naar nieuwe identiteit
  • geen wisselende begeleiders
  • individueel werken of in kleine groepjes ( max. 3 ) die samen een team vormen voor de begeleiding van de honden
  • werken met triggers die voor de jongeren belangrijk zijn
  • werken met tijdloze narratieven ( beelden, verhalen, legenden )
  • binnen de begeleiding van betekenis zijn voor anderen
  • we nemen tijd. Net zoveel als nodig is.

Met deze bijzondere hulpverleningscontext hopen we terug te keren naar de core business van wat hulpverlening.

Praktijkvoorbeelden

Gregory

Gregory (11jaar) is in een BLAD programma gestapt waarin hij skillcards of vaardigheidskaarten leert over verschillende dieren. De context van het programma  is een boerderij met verschillende, voor hun taak geselecteerde boerderijdieren. Hij leert op deze manier dieren verzorgen, leert over hun signalen van stress, signalen van ziekte en leert hoe zij op hun beurt kunnen leren en hoe hij ze het best oppakt, affectie geeft en knuffelt. Wanneer hij een skillcard kent, legt hij hierover een test af om al dan niet te slagen en een officieel certificaat te verdienen over een bepaald dier. Eens hij certificaten behaald heeft omtrent bepaalde dieren wordt hij officieel toegelaten om zijn expertise door te geven aan andere kinderen.

Gregory behaalde in dit kader een certificaat voor de cavia en de ezel. Wat volgt is een kort relaas van dit proces.

Gregory volgde les in een speciale klas voor kinderen met sociaal-emotionele problemen. De bijkomende leerproblemen van Gregory bleken echter in die mate dat zijn frustraties in de lessen escaleerden tot ernstige gedragsproblemen, aldus zijn lerares. Klachten werden gesignaleerd op het vlak van werkattitude (o.a. vaak erg luidruchtig zijn, langdurig staren, niet bij de les kunnen blijven, rond dansen in de klas, ronddwalen in de klas), op het vlak van sociale vaardigheden (o.a. blijven discussiëren, ongepaste opmerkingen geven, grof taalgebruik, weigeren taken uit te voeren), op het vlak van aandachteisend gedrag (o.a. bizarre manieren van stappen, onkunde pretenderen, gekke gezichten maken, systematisch persoonlijke ruimte van anderen overschrijden, seksueel ongepaste opmerkingen en gedragingen) en verder wou Gregory vaak langdurige wraakacties ondernemen tegenover hen die hem naar eigen aanvoelen hadden benadeeld. In de klas hield men het bijna voor bekeken met hem.

Op de boerderij waar Gregory het TAD programma volgde, bleek men echter van meet af aan een ander gedragsrepertoire te zien. Reeds vanaf zijn eerste sessie op de boerderij bleek hij de dieren te kunnen benaderen op een vriendelijke manier waarbij hij vaak ruime tijdspannen nam om dieren vast te houden, te knuffelen of te kammen. Hij werkte hard op de boerderij. Hij besteedde de meeste tijd in het werken in de stallen, om deze op orde te krijgen maar ook bij de ezel spendeerde Gregory veel tijd om hem te leren kennen, hem te verzorgen en met hem op stap te gaan. Hij leende regelmatig boeken van de kleine boerderijbibliotheek en wanneer hij de boeken terug bracht, bleek hij de inhoud (die hij zelf had gelezen, of die hij zich had laten voorlezen) ervan begrepen en onthouden te hebben.

Hij onderzocht de skillcard van de cavia als voorbereiding voor een presentatie over de cavia voor de klas. Gregory bleek in staat zijn onderzoek gestructureerd te voeren en zijn ervarings- en boekenkennis georganiseerd te gebruiken. Dit resulteerde in een inhoudelijk kwalitatief opstel en een knappe presentatie waarbij hij zijn relaas netjes gestructureerd op bord zette.

De andere kinderen die het TAD programma volgden keken naar Gregory op als naar een leider. Hij kon de anderen met veel geduld helpen in het benaderen en verzorgen van de dieren, waar hij een skillcard had voor behaald.

Gedurende zijn eerste vier sessies op de boerderij werden twee incidenten genoteerd waarbij Gregory genoegdoening eiste (in de vorm van een straf) voor een – naar zijn mening – misstap naar hem toe van andere kinderen. Sindsdien (nu 8 maanden geleden) werden geen verdere incidenten vermeld en geen enkele van de beschreven gedragingen in de klas werden gezien tijdens de boerderijsessies. Na 6 maanden sessies op de boerderij werden in de leefgroep en in de klas de eerste positieve gedragsveranderingen genoteerd in de vorm van:

  • Verhoogde aandacht voor de externe omgeving
  • Verhoogde capaciteit voor gedragsbeheersing
  • Verhoogde rust in de groep
  • Vermindering van agressie
  • Toont behoefte aan informatie
  • Verhoogde sociale interactie
  • Verhoogde samenwerking
  • Verhoogde sociale vaardigheden
  • Vermeerdering van dialoog
  • Verhoogde morele bezorgdheid

Waarschijnlijk vatte Gregories moeder het goed samen: “Door op de boerderij activiteiten te vinden waarin hij goed was, kon Gregory zichzelf terug leren graag zien en kon hij op die manier weer anderen appreciëren en hen zelfs helpen”.

 

Mike

Mike was in een moeilijke context geboren. Op de leeftijd van 5 jaar had hij reeds in 12 instellingen geleefd. Hij verbleef in een school voor kinderen met emotionele moeilijkheden toen wij hem ontmoetten.

Met Mike werken was een uitdaging. Binnen het BLAD programma leerde Mike vooreerst minimale kennis en kunde omtrent honden, leerde hierna honden opvoeden en trainen en gaf zijn expertise in een later stadium door aan anderen. Leerling werd meester of de zorgvrager werd begeleider.

In het begin maakte Mike het ons erg moeilijk om afscheid te nemen op het eind van het programma waarbij hij woede-uitbarstingen kreeg, zich vastgreep aan één van de honden en weigerde los te laten,… Ons conflict bestond eruit om de honden veilig te houden terwijl Mike werkte aan vertrouwen.

Vele van de kinderen in deze groep hadden dieren mishandeld en waren zelf mishandeld. De ervaring van veiligheid en vertrouwen moest eerst ontwikkeld worden, zowel voor de dieren als voor henzelf.

Op één bepaalde dag, waren de kinderen bijzonder onrustig. Hun handen bleven maar naar omhoog schieten met luidruchtige vragen. De kinderen waren ongeduldig en ruw wanneer ze de dieren wilden aanraken. Dit alles bracht de dieren behoorlijk in de war.

De begeleider stopte en zei: ”Praat met je handen. Vraag je handen om geduldig en alstublieft zacht te zijn. Deze dieren hebben kalmte en zachtheid nodig om zich veilig te voelen en vertrouwen te krijgen”. Dit was nieuw voor de kinderen. Ze begonnen na te denken voor de veiligheid van de dieren en van henzelf.

De begeleider praatte verder over veiligheid en zorg en wachtte tot ze zag dat de kinderen hierop respons toonden. Geleidelijk werden de kinderen zich bewust van hun handen, en van een nieuwe manier om samen te zijn met de dieren.

De eenvoudigheid van de vraag van de begeleider, een vraag die de nood aan veiligheid voor de dieren introduceerde, gaf de kinderen de uitdaging om te groeien.

Terwijl hij zijn nieuwe zorgcapaciteiten toonde, zagen wij hoe Mike onze hond knuffelde en aaide, aanraakte, weer losliet met zijn nieuwe zachte handen. Dan kust hij zachtjes het voorhoofd van de hond ter afscheid. Wanneer hij iets later in de badkamer zijn handen ging wassen sprak hij tot zijn handen, “Handen jullie waren schitterend, ik ga het hondgevoel er niet afwassen”.

Op deze dag leerde Mike hoe te knuffelen en hoe de zoete ervaring van zorg bij zich te houden. Hij had het aangename afscheidsgevoel ervaren zonder het alarmerende gevoel van verlies.